Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek
3.Beslissing
22 januari 2019.
Hoge Raad
De gewezen verdachte is door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens mishandeling tot een geldboete van €150, subsidiair drie dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. Tegen dit arrest is een herzieningsverzoek ingediend door de raadsman namens de gewezen verdachte, waarbij de gewezen verdachte zelf het verzoek had opgesteld.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit verzoek aan de hand van artikel 460, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald dat alleen een raadsman namens de gewezen verdachte een herzieningsaanvraag kan indienen. Omdat het verzoek niet door de raadsman zelf was opgesteld maar slechts door hem was ingezonden, en het verzoek zelf door de gewezen verdachte was opgesteld, kon het niet worden aangemerkt als een geldige herzieningsaanvraag.
De Hoge Raad verklaarde het herzieningsverzoek daarom niet-ontvankelijk. Dit arrest volgt op een eerdere zaak met nummer ECLI:NL:HR:2017:2855 en bevestigt de strikte toepassing van de regels omtrent het indienen van herzieningsverzoeken in strafzaken.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige herzieningsaanvraag.