Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Nederlandvan 16 augustus 2018, nr. LEE 17/4146 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 24 april 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland betreffende verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit is omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad heeft, na overleg met de Procureur-Generaal en op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de zaak niet inhoudelijk door de Hoge Raad is behandeld en dat het cassatieberoep geen vervolg krijgt.
Het arrest is op 18 januari 2019 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools, met waarnemend griffier Treuren. De uitspraak bevestigt de strikte ontvankelijkheidseisen bij cassatieberoepen in bestuursrechtelijke belastingzaken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.