Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 23 april 2019 het cassatieberoep van verdachte verworpen in een strafzaak over witwassen, waarbij het Gerechtshof Amsterdam eerder een arrest had gewezen. De verdachte had via zijn advocaten middelen van cassatie voorgesteld, maar deze konden niet tot cassatie leiden.
De klacht betrof onder meer de herkomst van het witgewassen geldbedrag en een beroep op een kwalificatie-uitsluitingsgrond bij verkrijging uit eigen misdrijf. De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geen nadere motivering nodig was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2017 in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, arrest Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.