Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 mei 2018 in een zedenzaak. De cassatie richtte zich op de vraag of de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor studievertragingkosten toereikend was gemotiveerd.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Dit betekent dat de Hoge Raad het oordeel van het hof bevestigt zonder nadere motivering, aangezien het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de raadsman van de verdachte heeft hier schriftelijk op gereageerd. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, samen met de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 23 april 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof inzake studievertragingkosten in de zedenzaak.