Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte sloeg op 8 oktober 2014 een aangever meermalen met een honkbalknuppel in een poging tot zware mishandeling. Het hof verwierp het beroep op noodweerexces omdat de noodweersituatie volgens het hof was beëindigd toen de verdachte sloeg. De verdediging stelde dat de verdachte handelde uit hevige gemoedsbeweging ter bescherming van zijn gezin.
De Hoge Raad herhaalt de criteria voor noodweerexces en stelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat noodweerexces niet kan worden ingeroepen nadat de noodweersituatie is beëindigd. Volgens de Hoge Raad is een beroep op noodweerexces ook mogelijk als de gedraging het onmiddellijke gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een eerdere aanranding.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het beroep op noodweerexces. De zaak wordt op het bestaande hoger beroep opnieuw behandeld en afgedaan.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling van noodweerexces.