In deze zaak vordert de vrouw in cassatie dat de Hoge Raad aan de door het hof uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde verbindt dat de man zekerheid stelt in de vorm van een bankgarantie. De vordering betreft een bedrag van €4.850,74, dat de vrouw eerder van de man had ontvangen als Kindergeld over de periode 2005-2007.
De vrouw baseert haar verzoek op het risico dat de man het bedrag niet zal restitueren, verwijzend naar eerdere executieproblemen en beslagleggingen. De man betwist dit restitutierisico en stelt dat zijn huidige financiële situatie niet vergelijkbaar is met de periode van executie. De Hoge Raad overweegt dat een verzoek tot zekerheidstelling slechts kan slagen indien nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die bij eerdere beslissingen niet konden worden betrokken.
De vrouw heeft echter geen nieuwe feiten gesteld die afwijken van het eerdere oordeel van het hof. Daarom wijst de Hoge Raad de incidentele vordering af. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling in cassatie. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.