Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
In deze jeugdzaak stond de vraag centraal of de voorzitter van het hof benadeelde partijen toegang kon verlenen tot de behandeling achter gesloten deuren van een zaak tegen een minderjarige verdachte, ook voor feiten waarvan die benadeelden geen slachtoffer waren. De verdachte werd onder meer verdacht van belediging van een politieagent en meervoudige woninginbraken met braak.
De Hoge Raad oordeelde dat onder 'zaak' in artikel 495b, eerste lid, Sv, moet worden verstaan het gehele rechtsgeding waarop het proces betrekking heeft, inclusief alle tenlastegelegde feiten. Dit betekent dat de toegang van benadeelden niet beperkt is tot alleen die feiten waarbij zij slachtoffer zijn. Wel kan de voorzitter de toegang beperken tot delen van de behandeling, mits dit de doelmatige behandeling van de zaak niet schaadt.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verdachte en bevestigde de toegang van de benadeelden tot de gehele zaak. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor het cassatieproces was overschreden, maar dat dit gezien de opgelegde jeugddetentie geen rechtsgevolg had. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 16 april 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen; benadeelden mogen toegang hebben tot de gehele behandeling achter gesloten deuren.