ECLI:NL:HR:2019:439

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2019
Publicatiedatum
27 maart 2019
Zaaknummer
18/01173
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 lid 5 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak rechtbank over niet-ontvankelijkheid beroep wegens griffierechtbetaling

Belanghebbende, een B.V., had bij de rechtbank beroep ingesteld tegen een beschikking over teruggaaf van omzetbelasting. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling van het griffierecht, ondanks dat belanghebbende tijdig het griffierecht had betaald. De rechtbank had het griffierecht teruggestort vanwege een beroep op betalingsonmacht, maar dit beroep werd afgewezen.

Belanghebbende deed verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring, maar de rechtbank verklaarde het verzet ongegrond. De Hoge Raad oordeelde echter dat de betaling van het griffierecht tijdig was geschied en dat de terugbetaling ten onrechte had plaatsgevonden. De ontvankelijkheid van het beroep mocht niet afhankelijk worden gesteld van de terugbetaling.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het verzet gegrond en bepaalde dat de rechtbank het onderzoek zal voortzetten. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën gelast het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 29 maart 2019 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het verzet gegrond, waarna het onderzoek wordt voortgezet.

Uitspraak

29 maart 2019
Nr. 18/01173
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 1 maart 2018, nr. SGR 17/5180 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.1.
Ter zake van het bij de Rechtbank door belanghebbende ingediende beroepschrift is door de griffier van de Rechtbank aan belanghebbende een nota griffierecht verzonden.
2.1.2.
Op 4 september 2017, binnen de daarvoor gestelde termijn, heeft belanghebbende het verschuldigde griffierecht voldaan. De Rechtbank heeft dit bedrag op 11 september 2017 teruggestort vanwege een door belanghebbende bij brief van 31 juli 2017 gedaan beroep op betalingsonmacht.
2.1.3.
Bij brief van 19 oktober 2017 heeft de Rechtbank het beroep op betalingsonmacht afgewezen. Bij uitspraak van 7 februari 2018 heeft zij het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.
2.1.4.
Belanghebbende heeft op 16 februari 2018 tegen deze uitspraak verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak geoordeeld dat het beroep terecht, wegens niet-betaling van het griffierecht, niet-ontvankelijk is verklaard en heeft het verzet ongegrond verklaard.
2.2.
De klachten, die zich tegen dit oordeel keren, slagen. In dit geval staat vast dat betaling van het griffierecht ter zake van het bij de Rechtbank ingestelde beroep tijdig is geschied. Daarmee heeft belanghebbende voldaan aan het vereiste van artikel 8:41, lid 5, Awb. De omstandigheid dat de Rechtbank het bedrag van het griffierecht aan belanghebbende heeft teruggestort, maakt dat niet anders.
Opmerking verdient dat de terugbetaling aan belanghebbende ten onrechte heeft plaatsgevonden, zodat belanghebbende dit bedrag opnieuw aan de Rechtbank dient te betalen. De ontvankelijkheid van het beroep is daarvan echter niet afhankelijk.
2.3.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Het verzet dient gegrond te worden verklaard.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 7 februari 2018 gegrond,
verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek zal voortzetten in de stand waarin het zich bevond, en
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 501.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2019.