Uitspraak
wonende te [woonplaats 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 maart 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het bewijsvermoeden dat een schenking had plaatsgevonden, kon worden ontzenuwd in het kader van een beroep op de legitieme portie. De procedure begon bij de rechtbank Amsterdam met vonnissen in 2016 en vervolgde bij het gerechtshof Amsterdam, dat op 9 januari 2018 uitspraak deed.
De eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof en tegen een beslissing van het hof ter zitting van 12 oktober 2017. Verweerders verschenen niet in cassatie, en tegen hen werd verstek verleend. De Advocaat-Generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring van de eiser voor een deel van zijn klacht en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen en de eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding, die nihil werden begroot aan de zijde van verweerders.
Het arrest werd uitgesproken door raadsheer M.V. Polak namens de Hoge Raad op 22 maart 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.