ECLI:NL:HR:2019:403

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2019
Publicatiedatum
20 maart 2019
Zaaknummer
18/01447
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatieberoep in erfrechtelijke legitieme portiezaak

In deze zaak stond de vraag centraal of het bewijsvermoeden dat een schenking had plaatsgevonden, kon worden ontzenuwd in het kader van een beroep op de legitieme portie. De procedure begon bij de rechtbank Amsterdam met vonnissen in 2016 en vervolgde bij het gerechtshof Amsterdam, dat op 9 januari 2018 uitspraak deed.

De eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof en tegen een beslissing van het hof ter zitting van 12 oktober 2017. Verweerders verschenen niet in cassatie, en tegen hen werd verstek verleend. De Advocaat-Generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring van de eiser voor een deel van zijn klacht en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen en de eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding, die nihil werden begroot aan de zijde van verweerders.

Het arrest werd uitgesproken door raadsheer M.V. Polak namens de Hoge Raad op 22 maart 2019.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

22 maart 2019
Eerste Kamer
18/01447
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser]
wonende te [woonplaats 1] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn,
t e g e n
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en verweerders.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/590197/HA ZA 15-630 van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2016 en 9 november 2016;
b. het arrest in de zaak 200.208.277/01 van het gerechtshof Amsterdam van 9 januari 2018.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 9 januari 2018, alsmede tegen de beslissing van het hof ter zitting van12 oktober 2017 dat op 9 januari 2018 uitspraak zal worden gedaan, heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen verweerders is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn klacht tegen de beslissing van het hof ter zitting van 12 oktober 2017 en voor het overige tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweerders begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
22 maart 2019.