ECLI:NL:HR:2019:399

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2019
Publicatiedatum
20 maart 2019
Zaaknummer
18/00499
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 2:9 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid en finale kwijting in arbeidsrechtelijke beëindigingsovereenkomst

De zaak betreft een geschil tussen Stichting WSG en een voormalige werknemer over de vraag of een beëindigingsovereenkomst met finale kwijting uitsluitend betrekking heeft op de arbeidsovereenkomst of ook op bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW Pro.

De feiten en eerdere procedure zijn uitgebreid behandeld in lagere instanties, waaronder de kantonrechter te Tilburg, de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het hof heeft op 7 november 2017 een arrest gewezen dat aan dit arrest is gehecht.

Stichting WSG heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld, waarbij zij onder meer een beroep op dwaling heeft gedaan. De Advocaat-Generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad concludeert dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en wijst het beroep af zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

De Hoge Raad veroordeelt Stichting WSG tot betaling van de kosten van het cassatiegeding. Het arrest is gewezen door de vicepresident en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Polak.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Stichting WSG wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

22 maart 2019
Eerste Kamer
18/00499
TT/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
STICHTING WSG,
gevestigd te Geertruidenberg,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. K. Teuben,
t e g e n
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. B.I. Kraaipoel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als WSG en [verweerder] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 690927/CV EXPL 11-9898 van de kantonrechter te Tilburg van 14 maart 2012 en 19 december 2012 en het vonnis in de zaak 02/257827/HA ZA 13-5 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 oktober 2013;
b. de arresten in de zaak 200.154.123/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 april 2015, verbeterd bij arrest van 23 juni 2015, 21 juni 2016 en 7 november 2017.
Het arrest van het hof van 7 november 2017 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 7 november 2017 heeft WSG beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mr. T.V.J. Bil.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van WSG heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt WSG in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 400,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
22 maart 2019.