ECLI:NL:HR:2019:314

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2019
Publicatiedatum
6 maart 2019
Zaaknummer
18/01593
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 27 WORArt. 36 lid 2 WORArt. 7 WOR
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen instemming ondernemingsraad vereist voor beëindiging afwijkende pauzetijdregistratie

In deze zaak stond de vraag centraal of de aankondiging van de werkgever, de gemeente Landgraaf, om een praktijk van afwijkende registratie van pauzetijden te beëindigen, kwalificeert als een besluit waarvoor instemming van de ondernemingsraad vereist is op grond van de Wet op de ondernemingsraden (WOR).

De ondernemingsraad van de gemeente Landgraaf had tegen deze aankondiging bezwaar gemaakt en stelde beroep in cassatie in nadat het gerechtshof 's-Hertogenbosch de eerdere beschikking van de rechtbank Limburg had bevestigd. De gemeente voerde aan dat het hier geen besluit betrof dat instemming van de ondernemingsraad vereist.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de ondernemingsraad niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de eerdere beslissingen dat de beëindiging van de afwijkende registratiepraktijk geen instemming van de ondernemingsraad behoeft.

Deze uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van de instemmingsvereiste onder de WOR met betrekking tot wijzigingen in de registratie van werktijden en pauzes binnen een gemeente.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat geen instemming van de ondernemingsraad vereist is voor het beëindigen van afwijkende pauzetijdregistratie.

Uitspraak

8 maart 2019
Eerste Kamer
18/01593
TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
DE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE GEMEENTE LANDGRAAF,
gevestigd te Landgraaf,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes,
t e g e n
DE GEMEENTE LANDGRAAF,
zetelende te Landgraaf,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. B.I. Kraaipoel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de ondernemingsraad en de gemeente.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 5704034 OV VERZ 17-25 van de rechtbank Limburg van 31 mei 2017;
b. de beschikking in de zaak 200.221.178/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 februari 2018.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de ondernemingsraad beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De gemeente heeft verzocht het beroep niet-ontvankelijkheid te verklaren dan wel te verwerpen.
De ondernemingsraad heeft verzocht het beroep op niet-ontvankelijkheid te verwerpen.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de ondernemingsraad heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
8 maart 2019.