Uitspraak
[X] ltdte
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 30 september 2018, nrs. SGR 18/1124 V en SGR 18/1162 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 7 mei 2018.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag en het verzet tegen een eerdere uitspraak. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling.
Het griffierecht is niet betaald. Vervolgens heeft de griffier belanghebbende opnieuw aangeschreven om een verklaring te geven voor het niet tijdig betalen, maar deze brief werd wegens onbestelbaarheid teruggezonden. Een gewone brief werd daarna verzonden, waarop geen reactie volgde.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er zijn geen gronden voor proceskostenveroordeling. Het arrest is uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools op 22 februari 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.