Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
8 januari 2019.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De zaak betrof een strafrechtelijke procedure onder de Opiumlandsverordening 1960, waarbij de Hoge Raad het beroep beoordeelde.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van de strafoplegging vanwege een schending van het recht op een redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 90 maanden naar 87 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf van 90 maanden is verminderd tot 87 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.