Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 10 april 2018, nr. SGR 17/5022 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 14 december 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de voorgestelde middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit is omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad daarom het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De uitspraak is gedaan door raadsheer Wortel als voorzitter, samen met raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, en is op 15 februari 2019 in het openbaar uitgesproken.
Deze beslissing betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld en dat de eerdere uitspraak van de Rechtbank Den Haag in stand blijft. Het arrest bevestigt het belang van ontvankelijkheidseisen in cassatieprocedures en de toepassing van artikel 80a RO om onnodige behandeling van niet-ontvankelijke beroepen te voorkomen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.