Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 februari 2019.
Hoge Raad
Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondanks het instellen van het beroep, zijn er geen middelen van cassatie door of namens betrokkene ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene. De Hoge Raad oordeelt dat het niet indienen van middelen binnen de termijn een schending is van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h van het Wetboek van Strafvordering.
Daarom kan betrokkene niet worden ontvangen in het beroep en verklaart de Hoge Raad betrokkene niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.