Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
8 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk invoeren en meermalen afleveren van cocaïne in de periode van 1 januari 1986 tot en met 31 december 1987. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren.
De Hoge Raad onderzocht of de vervolging niet was verjaard. Volgens de oude strafrechtelijke bepalingen gold destijds een verjaringstermijn van twaalf jaren voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan drie jaren stond. De verjaringstermijn begon te lopen de dag na het plegen van het feit en werd gestuit door het arrest van het hof van 5 maart 1992, waarna een nieuwe termijn begon.
Uit de processtukken bleek dat na dit arrest gedurende twaalf jaren geen vervolgingsdaad was verricht. Daardoor was het recht tot strafvordering op 6 maart 2004 vervallen, nog vóór de latere wetswijzigingen die de verjaringstermijn verlengden of opheffen. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: De vervolging van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvordering.