ECLI:NL:HR:2019:1997
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring cassatie tegen navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting 2006-2007
Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2006 en 2007, inclusief de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en een hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, stelde belanghebbende beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld aan de hand van de ingediende middelen en het verweerschrift van de Staatssecretaris. De Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die relevant zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Ten aanzien van de proceskosten zag de Hoge Raad geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.