Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:19

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 2019
Publicatiedatum
8 januari 2019
Zaaknummer
17/01969
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285.1 SrArt. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling bedreiging met zware mishandeling door dreigen met GHB-inspuiting

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor bedreiging met zware mishandeling jegens zijn halfzus op 15 december 2015 in Eindhoven. De bedreiging bestond uit de dreigende woorden "zal ik jou eens met GHB inspuiten?" terwijl verdachte een spuit met een doorzichtige vloeistof in zijn hand hield.

De rechtbank en het hof stelden vast dat de bedreiging zodanig was dat bij het slachtoffer redelijke vrees kon ontstaan voor zwaar lichamelijk letsel. Het hof motiveerde dat het gebruik van GHB ernstige gezondheidsrisico's inhoudt, waaronder coma bij overdosering, en dat het gedwongen toedienen van GHB verregaande lichamelijke gevolgen kan hebben. Het ontbreken van een naald aan de spuit deed hier niet aan af omdat GHB oraal wordt gebruikt.

De verdediging voerde aan dat de bedreiging hoogstens eenvoudige mishandeling betrof en niet strafbaar was, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en het oordeel niet onbegrijpelijk was. Het cassatieberoep werd verworpen. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, maar dit had geen gevolgen voor de straf omdat de opgelegde maatregel niet vatbaar is voor termijnvermindering.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de veroordeling voor bedreiging met zware mishandeling en verwierp het beroep van verdachte.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor bedreiging met zware mishandeling door dreigen met het inspuiten van GHB.

Uitspraak

8 januari 2019
Strafkamer
nr. S 17/01969
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 maart 2017, nummer 20/000940-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1.
Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat hij:
"op 15 december 2015 te Eindhoven [betrokkene 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Zal ik jou eens met GHB inspuiten?", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking."
2.2.2.
Het Hof heeft het vonnis in eerste aanleg bevestigd met aanvulling van gronden. Dit vonnis bevat de volgende bewijsvoering:
"Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [betrokkene 1] :
Zij deed aangifte en verklaarde over een bedreiging op de [a-straat] te Eindhoven op 15 december 2015 te 14:30 uur. Op 15 december 2015 omstreeks 14:30 uur was ik thuis in de woning [a-straat] in Eindhoven. Op dat tijdstip zag ik dat mijn halfbroer [verdachte] bij ons in de tuin stond. Ik zag dat [verdachte] uit zijn jaszak een spuit haalde. Ik zag dat er een kleine hoeveelheid doorzichtige vloeistof in de spuit zat. Ik hoorde op het moment dat [verdachte] de spuit in zijn hand vasthield, dat hij tegen mij zei: "zal ik jou is (de rechtbank begrijpt: eens) met GHB inspuiten".
Het proces-verbaal van telefonisch verhoor getuige [getuige] :
Ik zag toen dat [verdachte] iets uit zijn binnenzak pakte. Ik zag dat het een spuit zonder naald betrof. Ik zag dat er een doorzichtige vloeistof in de spuit zat. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "moet ik jou eens met GHB inspuiten".
De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde uitgewerkte bewijsmiddelen blijkt dat de bewoordingen "zal ik jou is met GHB inspuiten" die verdachte jegens [betrokkene 1] geuit heeft van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat bij [betrokkene 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen."
2.2.3.
Het Hof heeft deze bewijsvoering van de Rechtbank als volgt aangevuld:
"Het proces-verbaal van aangifte gedaan door [betrokkene 1] :
Wij (het hof begrijpt: aangeefster en haar moeder) hebben al hele lange tijd problemen met [verdachte] en met zijn gedrag. Ik zag dat hij mijn fiets, die in de tuin stond, vastpakte en hiermee weg wilde lopen. Omdat ik weet dat hij mijn vorige fiets ook ooit heeft meegenomen en heeft verkocht, wilde ik dat hij mijn fiets liet staan. Ik ben naar buiten gelopen en heb tegen [verdachte] gezegd dat hij mijn fiets moest laten staan.
De raadsman heeft betoogd dat het uitspreken van de woorden "Zal ik jou eens GHB inspuiten" terwijl men een spuit met daarin een doorzichtige vloeistof in de hand heeft, niet kan worden aangemerkt als een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel, hoogstens het dreigen met eenvoudige mishandeling, hetgeen niet strafbaar is.
Het hof deelt deze opvatting niet. Het gebruik van GHB kan ernstige risico's voor de gezondheid van de gebruiker opleveren en bij een overdosering zelfs tot coma leiden. Ook is niet uitgesloten dat, zoals ook door de raadsman ter terechtzitting naar voren is gebracht, de GHB (of wat daar voor door moet gaan) wordt gemaakt van gootsteenontstopper, hetgeen extra schadelijk is voor de gezondheid. Het (gedwongen) toedienen van GHB, kan derhalve verregaande lichamelijke consequenties hebben.
Het hof is derhalve van oordeel dat de bedreiging van dien aard was en onder zodanige omstandigheden plaatsvond dat bij [betrokkene 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden en dat zij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Het feit dat de spuit waarmee de verdachte dreigde niet voorzien was van een naald doet hier niet aan af nu GHB oraal gebruikt wordt."
2.3.
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659). Het oordeel van het Hof dat hiervan in het onderhavige geval sprake is geweest door het toevoegen van de woorden: "zal ik jou eens met GHB inspuiten?", getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
2.4.
Het middel faalt.

3.Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Deze termijnoverschrijding leidt evenwel niet tot vermindering van de duur van de sanctie aangezien de door het Hof opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders zich naar zijn aard niet leent voor een dergelijke vermindering. Daarom is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 januari 2019.