Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 4 april 2018, nr. 15/8467 ZW, betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Ziektewet.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 8 maart 2019 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Ziektewet. Het beroep in cassatie was ingesteld door belanghebbende tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 april 2018.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Tevens werd een verzoek tot wraking van belanghebbende buiten behandeling gesteld.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Fierstra, Wortel en Beukers-van Dooren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.