Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
Krachtens dat testament is de vordering van ieder van belanghebbenden opeisbaar geworden bij overlijden van de dochter van de grootmoeder (hierna: de dochter) op 11 januari 2014.
Hierbij neemt de Hoge Raad mede in aanmerking dat, anders dan de Staatssecretaris in het verweerschrift in cassatie betoogt, de vastgestelde feiten niet inhouden dat de dochter een rechtshandeling als bedoeld in artikel 10, lid 1, SW heeft verricht ter aanvaarding van de nalatenschap van de grootmoeder, ook niet indien daarbij de feitelijke gedragingen van de dochter in aanmerking worden genomen die tot uitdrukking komen in de in het geding gebrachte akte van boedelbeschrijving.