Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 november 2019.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van het opzettelijk binnenbrengen van 72 kilogram cocaïne in Nederland, een strafbaar feit volgens de Opiumwet. De zaak werd behandeld door het Gerechtshof Den Haag, dat op 20 november 2017 een arrest wees.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. Zijn advocaten dienden een middel van cassatie in, gericht op een bewijsklacht met betrekking tot medeplegen van verlengde invoer op basis van artikel 1.4 van de Opiumwet. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.