Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en beslissing op een gevoerd verweer
3.Juridisch kader
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
5 februari 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld wegens het voorhanden hebben van veerdrukpistolen die volgens het hof niet als speelgoed kunnen worden aangemerkt op grond van de Wet wapens en munitie en de Speelgoedrichtlijn. De veerdrukpistolen waren voorzien van expliciete waarschuwingen en verbodsborden op de verpakking die aangeven dat deze niet geschikt zijn voor kinderen onder 14 of 18 jaar.
De verdediging stelde dat de pistolen onder de Speelgoedrichtlijn vielen omdat zij voorzien waren van een CE-markering, wat volgens hen betekende dat het speelgoed was. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de waarschuwingen op de verpakking wel degelijk relevant zijn en dat de CE-markering niet automatisch betekent dat het om speelgoed gaat.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de veerdrukpistolen niet onder de uitzonderingscategorie van speelgoed vallen zoals bedoeld in de Regeling wapens en munitie en de Speelgoedrichtlijn. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof bevestigt dat veerdrukpistolen geen speelgoed zijn en dus onder de Wet wapens en munitie vallen.