Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake het ten verkoop in voorraad hebben van ivoor van de Afrikaanse olifant, in strijd met de Flora- en faunawet (oud). Centraal stond de vraag welk regime van toepassing is bij het verbod op het voorhanden hebben van ivoor, namelijk het minst bezwarende regime (appendix II CITES-Verdrag en bijlage B Verordening (EG) 338/97) of het zwaardere regime (appendix I CITES-Verdrag en bijlage A Verordening (EG) 338/97), indien niet vaststaat van welke populatie het ivoor afkomstig is.
Daarnaast waren er klachten tegen de verwerping van verweren die samenhangen met EG-certificaten betreffende het ivoor. De Hoge Raad overwoog dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de rechtsvragen niet in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord.
Het arrest bevestigt dat het zwaardere regime van toepassing is bij onduidelijkheid over de populatieherkomst van het ivoor en dat de bewezenverklaarde ivoorvoorraad aan het verkeer wordt onttrokken. Het cassatieberoep van verdachte is verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd, met toepassing van het zwaardere regime en onttrekking van het ivoor aan het verkeer.