Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een mishandeling van een zwemlerares in een zwembad te Den Helder, nadat zij de verdachte had gesommeerd het zwembad te verlaten. De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld. In cassatie stelde de verdachte verweren aan de orde over de rechtvaardigingsgrond en het opzet, alsmede een verzoek tot het horen van getuigen.
De Procureur-Generaal adviseerde het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 12 november 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard.