Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
5 november 2019.
Hoge Raad
In deze strafzaak was verdachte in hoger beroep veroordeeld door het Gerechtshof Amsterdam wegens wederspannigheid jegens ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Het verzoek van verdachte om de geldboete in termijnen op te leggen werd eveneens afgewezen. De Hoge Raad bevestigde hiermee het oordeel van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Deze zaak betreft de toepassing van artikel 180 van Pro het Wetboek van Strafrecht en de procedurele regels uit artikel 81 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad handhaafde de eerdere beslissingen zonder inhoudelijke bespreking van de verweren, waarmee het cassatieberoep definitief werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.