Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
5 februari 2019.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden. De Hoge Raad heeft het middel van cassatie onderzocht dat stelde dat de strafmotivering strijdig was met de onschuldpresumptie, maar dit middel werd verworpen omdat het geen rechtsvragen opriep die beantwoording behoefden.
De Hoge Raad heeft ambtshalve beoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, was overschreden omdat meer dan twee jaren waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
Uiteindelijk vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verminderde deze van negen maanden naar acht maanden en twee weken. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 5 februari 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van negen maanden naar acht maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.