ECLI:NL:HR:2019:1605
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn
Belanghebbende, een vennootschap gevestigd te [Z], heeft beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag betreffende verzet tegen eerdere uitspraken. De Hoge Raad heeft onderzocht of het beroep in cassatie ontvankelijk was. Uit de procedure blijkt dat het beroepschrift op 19 juli 2019 bij de Hoge Raad is ontvangen, terwijl de wettelijke termijn van zes weken, zoals gesteld in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op 17 juli 2019 was verstreken.
De Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na dagtekening van die brief aan te geven waarom de termijn overschreden was. Deze termijn eindigde op 17 september 2019. Belanghebbende heeft echter geen tijdige reactie gegeven. Een brief die op 19 september 2019 binnenkwam, is buiten beschouwing gelaten wegens te late indiening.
Op grond hiervan heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is op 18 oktober 2019 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.