Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Beslissing
15 oktober 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen van grote geldbedragen. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van getuigen, bankdocumenten en de eigen verklaring van verdachte.
De zaak betrof het gebruik van een ingewikkelde constructie waarbij geldbedragen via de bankrekening van de moeder van verdachte werden overgemaakt naar zijn rekening in Liechtenstein. Het hof concludeerde dat verdachte wist, dan wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde, dat het geld afkomstig was uit een misdrijf. Deze conclusie was mede gebaseerd op het feit dat verdachte geen nadere vragen stelde over de rechtmatigheid van de constructie.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom uit de feiten en omstandigheden de conclusie kon worden getrokken dat verdachte bewust geen vragen stelde en dus wetenschap had van de criminele herkomst van het geld. Hierdoor was de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd en zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering opzet witwassen.