Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel
4.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep wegens het ontbreken van schriftelijke grieven en mondelinge bezwaren tegen het vonnis. De verdachte was niet verschenen op de terechtzitting in hoger beroep en zijn raadsman had aangegeven dat verdachte boos was omdat hij niet was aangevoerd voor behandeling van een andere zaak, maar dit werd niet aangemerkt als een grief of bezwaar tegen het vonnis.
Het hof had het onderzoek geschorst en een nieuwe oproeping bevolen, maar de advocaat-generaal had de zaak niet voorgedragen, zodat de verdachte niet verplicht was om vóór de voordracht bezwaren op te geven. De Hoge Raad bevestigt dat onder grieven zowel schriftelijke bezwaren als mondelinge bezwaren kunnen vallen, maar dat de door de raadsman geuite opmerkingen niet als zodanig konden worden aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat het niet verplicht was om de raadsman eerder gelegenheid te geven bezwaren te verduidelijken. Het beroep in cassatie wordt verworpen, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep standhoudt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van grieven en mondelinge bezwaren.