Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake een diefstal van een koffer van een toerist op een Amsterdams station. Het hof had een gevangenisstraf van 8 weken opgelegd, waarvan 4 weken voorwaardelijk, en oordeelde dat het taakstrafverbod van artikel 22b Sr van toepassing was, waardoor geen taakstraf kon worden opgelegd.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en adviseerde terugwijzing naar het hof voor hernieuwde berechting. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist had geoordeeld dat het taakstrafverbod van artikel 22b lid 2 Sr van toepassing was, omdat uit het uittreksel van de justitiële documentatie niet bleek dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de diefstal wegens een soortgelijk feit een taakstraf had gekregen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor nieuwe beoordeling van de straf. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel en raadsheren Buruma en van Strien op 8 oktober 2019.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt deels arrest en verwijst zaak terug voor nieuwe strafoplegging.