ECLI:NL:HR:2019:1544

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2019
Publicatiedatum
7 oktober 2019
Zaaknummer
17/05109
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter SrArt. 420bis.1.a SrArt. 420bis.1.b SrArt. 69 AWRArt. 359a Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over gewoontewitwassen en onjuiste aangifte inkomstenbelasting door ziekenhuisafdelingshoofd

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte, afdelingshoofd van een ziekenhuis, werd veroordeeld voor gewoontewitwassen en het opzettelijk onjuist doen van aangifte inkomstenbelasting. Verdachte stortte betalingen van farmaceutische bedrijven op Luxemburgse bankrekeningen zonder deze op te geven aan de belastingdienst en vervoerde het geld vervolgens naar Nederland.

In cassatie werden meerdere gronden aangevoerd, waaronder niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens onrechtmatig verkregen bewijs en privacy-inbreuk door de belastingdienst. Daarnaast werd betoogd dat het bewijs onvoldoende was om de gewoontewitwaspraktijken te bewijzen en dat de strafmotivering tekort schoot, onder meer door het ontbreken van een nadere specificatie van het benadelingsbedrag en kritiek op media-uitingen van het OM.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen. Het beroep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor gewoontewitwassen en onjuiste belastingaangifte.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/05109
Datum8 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 28 september 2017, nummer 23/004924-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben W. de Vries en V.S. Huygen van Dyck-Jagersma, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman W. de Vries heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 oktober 2019.