Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
8 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 24 november 2017, waarin zij werd veroordeeld voor poging tot diefstal van speelgoed uit een speelgoedwinkel in Amsterdam. De verdediging stelde in cassatie een middel voor dat betrekking had op het gebruik van een verklaring van de verdachte, die was afgelegd bij de politie terwijl bij haar verhoor een niet beëdigde tolk was ingeschakeld.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat dit geen nadere motivering behoefde, omdat het middel niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noopt.
Daarmee werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, met betrekking tot het bewijs van verklaringen die met inzet van een niet beëdigde tolk zijn verkregen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 8 oktober 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.