Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
In deze jeugdstrafzaak stond de vraag centraal of een persoon uitsluitend als deskundige ter terechtzitting kan worden gehoord indien deze voorafgaand aan het verhoor niet als deskundige is benoemd conform art. 51i Sv. De Hoge Raad oordeelde dat de rechter op grond van art. 299 jo Pro. art. 287 en Pro 315 Sv bevoegd is om ook niet-vooraf benoemde personen met specifieke kennis als deskundige te horen.
Het hof had drie personen als deskundigen gehoord zonder voorafgaande benoeming, wat door de verdachte werd bekritiseerd. De Hoge Raad verwierp dit verweer en benadrukte dat de rechter wel kan besluiten tot benoeming voorafgaand aan het verhoor, bijvoorbeeld wanneer een schriftelijk verslag vereist is.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, waardoor de opgelegde jeugddetentie werd verminderd van vijf maanden naar vier maanden en drie weken. Het beroep werd verder verworpen, waarmee de inhoudelijke uitspraak van het hof grotendeels stand hield.
Uitkomst: De jeugddetentie werd verminderd tot vier maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep werd verder verworpen.