Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor bedreiging en verleiding tot ontucht met een minderjarige caissière. De verdachte, assistent filiaalmanager, zou gedurende enkele maanden ontuchtige handelingen hebben gepleegd met een 16/17-jarige werknemer.
In cassatie stelde de verdachte onder meer bewijsklachten aan de orde: of uit de gedragingen en uitlatingen van verdachte redelijkerwijs vrees kon ontstaan dat het slachtoffer haar leven zou verliezen, en of uit de bewijsvoering kon worden afgeleid dat verdachte door misbruik van feitelijk overwicht de caissière opzettelijk heeft bewogen tot het dulden of plegen van ontucht.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.