Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Beslissing
8 januari 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 8 januari 2019 het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De zaak betrof medeplegen van het opzettelijk verstoren van een geoorloofde openbare vergadering en het wederrechtelijk in een voor openbare dienst bestemd lokaal vertoeven zonder zich te verwijderen op vordering van een bevoegde ambtenaar.
Het centrale geschilpunt was of de vordering gedaan door de griffier van de gemeenteraad kon worden aangemerkt als een vordering van een bevoegde ambtenaar in de zin van art. 139, eerste lid, Sr. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2019:13) en oordeelt dat het middel dat dit betwist niet tot cassatie kan leiden.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar gezien de opgelegde geldboete en de mate van overschrijding werd hieraan geen rechtsgevolg verbonden. Het beroep wordt derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling wegens medeplegen verstoring openbare vergadering blijft in stand.