Uitspraak
wonende te [woonplaats]
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
1 februari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de verdeling van een nalatenschap en een vordering tot betaling van achterstallige huur door de erfgenaam die de woning bewoont sinds 1966. De rechtbank had de woning aan de bewonende erfgenaam toegekend en een huurbetalingsverplichting vastgesteld van ruim €95.000, verminderd met betaalde lasten.
Het hof Den Haag vernietigde dit voor zover het de huurbetalingsverplichting betrof en oordeelde dat de bewoner geen huur aan de boedel verschuldigd was, vanwege een stilzwijgende afspraak en redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad oordeelt dat het hof buiten het debat van partijen is getreden door te oordelen dat de bewoner in hoger beroep een grief had ingediend die niet is aangevoerd. Ook oordeelt de Hoge Raad dat eiswijziging en grieven ten aanzien van de ingangsdatum van de huurverplichting onvoldoende zijn meegenomen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Den Haag en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de bewoner in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het hof Den Haag wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.