Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 1 oktober 2019 het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 december 2017. De zaak betreft onder meer medeplegen van uitkeringsfraude, witwassen, het voorhanden hebben van wapens en munitie, opzetheling van invalidenparkeerkaarten en gekwalificeerde diefstal van stroom en gas.
De verdediging voerde onder meer aan dat sprake zou zijn van strijd met het ne bis in idem-beginsel en dat verdachte niet in nauwe en bewuste samenwerking met een medeverdachte zou hebben gehandeld. De Hoge Raad oordeelde dat er geen sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel en bevestigde dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachte heeft gehandeld.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gaf de Hoge Raad geen nadere motivering omdat de middelen niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, en uitgesproken in openbare terechtzitting. Het cassatieberoep is verworpen, waarmee het arrest van het hof ongewijzigd blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.