ECLI:NL:HR:2019:1348

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2019
Publicatiedatum
16 september 2019
Zaaknummer
18/01218
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie bij profijtontneming uit hennepkwekerij

Deze zaak betreft een cassatieberoep van de betrokkene tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij.

De betrokkene heeft een schriftuur ingediend via zijn advocaat, maar deze schriftuur bevatte geen duidelijke en stellige klacht over de schending van een rechtsregel of het verzuim van een vormvoorschrift door de bestreden rechterlijke uitspraak. Bovendien heeft de betrokkene niet binnen de wettelijke termijn middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet voldoet aan de vereisten om als cassatiemiddel te worden aangemerkt en dat de betrokkene daarom niet-ontvankelijk is in het beroep. Het beroep wordt verworpen en de beslissing van het hof blijft in stand.

Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en Boerlage, tijdens een openbare terechtzitting op 17 september 2019.

Uitkomst: De betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig en niet-adequaat indienen van middelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/01218
Datum17 september 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 maart 2018, nummer 21/000968-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[de betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de betrokkene.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

2.1
Het middel behelst een klacht die is gericht tegen ‘s Hofs beslissing in de met deze zaak samenhangende strafzaak die bij de Hoge Raad in behandeling is onder nummer 18/01222. Als een middel van cassatie als in de wet bedoeld, kan slechts gelden een duidelijke en stellige klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Het middel voldoet niet aan dit vereiste, zodat het onbesproken moet blijven.
2.2
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 september 2019.