Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 september 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam waarin een klaagschrift over conservatoir beslag op woning, bankrekeningen, auto's en geldbedragen werd behandeld. De klager was verdachte in een strafrechtelijk onderzoek wegens (gewoonte)witwassen.
Tijdens de raadkamerbehandeling werd een aanhoudingsverzoek van de raadsman van de klager afgewezen. Dit verzoek betrof het verkrijgen van inzage in door de OvJ doorgestuurde stukken zoals exploten, bevelen en proces-verbalen die betrekking hadden op het conservatoir beslag. De rechtbank oordeelde dat de raadsman al eerder stukken had ontvangen en dus bekend zou moeten zijn met de inhoud.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep tegen de afwijzing van het aanhoudingsverzoek.