ECLI:NL:HR:2019:1322
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake kosten van vervolging door invorderingsambtenaar
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam werd behandeld. De zaak betrof kosten van vervolging die door de invorderingsambtenaar van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling aan belanghebbende in rekening waren gebracht.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder zag de Hoge Raad geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard.
Het arrest werd gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende is ongegrond verklaard.