Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
10 september 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak betreffende BTW-fraude door fictieve leveringen en medeplegen van gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie.
De verdediging stelde meerdere middelen aan de orde, waaronder bewijsklachten en overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad verwierp de eerste twee middelen zonder nadere motivering omdat deze geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.
Het derde middel, gericht op de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, werd gegrond verklaard. De Hoge Raad constateerde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro opleverde.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verminderde de gevangenisstraf van 24 naar 22 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 24 naar 22 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.