Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:130

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 februari 2019
Publicatiedatum
29 januari 2019
Zaaknummer
16/06093
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 311.5 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf voor woninginbraken ondanks bewijs van daderschap

De zaak betreft drie woninginbraken in Houten binnen een periode van iets meer dan drie weken. Bij verdachte werden zowel delen van de buit als de gebruikte inbrekerswerktuigen aangetroffen, wat het bewijs van daderschap versterkt. De verdediging voerde een bewijsklacht aan, maar de Hoge Raad oordeelde dat de bewijsmotivering niet ontoereikend of onbegrijpelijk was.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De straf werd verminderd van vijftien maanden (waarvan drie maanden voorwaardelijk) naar veertien maanden en een week, eveneens met drie maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Deze vermindering volgde uit de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.

Het beroep van verdachte werd voor het overige verworpen, waarmee het bewijs van daderschap en de overige aspecten van het vonnis ongewijzigd bleven. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 19 februari 2019.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot veertien maanden en een week wegens overschrijding van de redelijke termijn, het bewijs van daderschap bleef ongewijzigd.

Uitspraak

19 februari 2019
Strafkamer
nr. S 16/06093
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2016, nummer 21/004069-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze veertien maanden en een week, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 februari 2019.