ECLI:NL:HR:2019:1081

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2019
Publicatiedatum
3 juli 2019
Zaaknummer
17/04039
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 RVV 1990Art. 164 WVW 1994Art. 179 WVW 1994Art. 27 SrArt. 80a RO
Verwijzingen
11 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken belang bij aftrek rijbewijsinname

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de verdachte was veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden. Op grond van artikel 164, eerste lid, WVW 1994 was het rijbewijs van de verdachte reeds ingevorderd en ingehouden voor die periode. Het hof had echter nagelaten om op grond van artikel 179, zesde lid, WVW 1994 te bevelen dat de tijd van de invordering of inhouding op de duur van de bijkomende straf in mindering zou worden gebracht.

De Hoge Raad oordeelt dat deze verzuim een onmiddellijk kenbare fout is die eenvoudig door de rechter kan worden hersteld. Bovendien heeft de verdachte in cassatie onvoldoende belang bij vernietiging van het arrest op dit punt, omdat de uitspraak in feite moet worden gelezen alsof de aftrek is bevolen. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2013:BZ4478) die op overeenkomstige wijze wordt toegepast.

Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk en wijst het af. Dit arrest verduidelijkt dat het openbaar ministerie zich niet kan verzetten tegen toepassing van de wettelijk verplichte aftrek bij de tenuitvoerlegging van de strafoplegging, ook als het hof deze niet expliciet heeft bevolen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang bij vernietiging van de niet-toegepaste aftrek van de periode van rijbewijsinname.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/04039
Datum9 juli 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 31 juli 2017, nummer 22/005491-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.Beoordeling van het middel

2.1
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 179, zesde lid, Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).
2.2
De stukken van het geding waarvan de Hoge Raad kennisneemt houden in dat op 14 juli 2016 op grond van art. 164, eerste lid, WVW 1994 van de verdachte overgifte van zijn rijbewijs is gevorderd, dat de verdachte op voornoemde vordering een op zijn naam staand geldig rijbewijs heeft overgegeven, dat de Officier van Justitie op 26 juli 2016 heeft besloten het rijbewijs van de verdachte in te houden voor de duur van acht maanden en dat op 10 november 2016 aan de verdachte kenbaar is gemaakt dat het rijbewijs onverwijld zal worden teruggeven.
2.3.1
Het Hof heeft bij de bestreden uitspraak aan de verdachte onder meer de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk ontzegd voor de duur van acht maanden, met een proeftijd van twee jaren. Het Hof had op grond van art. 179, zesde lid, WVW 1994 moeten bevelen dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge art. 164 WVW Pro 1994 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering zal worden gebracht, doch heeft verzuimd die aftrek te bevelen (vgl. HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3863).
2.3.2
Het middel klaagt daarover terecht.
2.4
In zijn arrest van 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478 heeft de Hoge Raad ten aanzien van uitspraken waarin is verzuimd de aftrek van art. 27, eerste lid, Sr te bevelen geoordeeld dat de verdachte in cassatie niet een voldoende te respecteren belang heeft bij vernietiging op dat punt.
De gronden die aan voormeld arrest ten grondslag liggen gelden op overeenkomstige wijze voor zaken waarin is verzuimd de wettelijk verplichte aftrek op grond van art. 179, zesde lid, WVW 1994 toe te passen.
2.5
Het verzuim toepassing te geven aan de wettelijk voorgeschreven aftrek als bedoeld in art. 179, zesde lid, WVW 1994 vormt immers een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare strafoplegging.
Maar ook indien zodanige herstelbeslissing achterwege blijft, bestaat bij vernietiging van de bestreden uitspraak waarin is verzuimd de aftrek van art. 179, zesde lid, WVW 1994 te bevelen onvoldoende in rechte te respecteren belang. Er is in zo een geval immers sprake van een voor eenieder evidente vergissing op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen, en wel aldus dat de bedoelde aftrek is bevolen. Een redelijk handelend openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafoplegging is belast kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid zonder die aftrek moet worden tenuitvoergelegd (vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478).
2.6
Het vorenstaande brengt mee dat het middel wegens gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.
2.7
De Hoge Raad zal in voorkomende gevallen een klacht als hier aan de orde met toepassing van art. 80a RO afdoen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juli 2019.