Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 12 december 2017, nrs. SGR 17/2566, SGR 17/2567 en SGR 17/2568 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 4 september 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag en het verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de hand van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad oordeelt dat de voorgestelde middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Het arrest is op 15 juni 2018 in het openbaar uitgesproken door raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of niet-geschiktheid van de middelen.