Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 21 november 2017, nr. SGR 17/3568 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 3 augustus 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag en eerdere verzetuitspraak. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk is. Uit de beoordeling blijkt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit komt doordat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad heeft, na het horen van de Procureur-Generaal en op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee is het cassatieberoep afgedaan zonder inhoudelijke behandeling van de klachten.
Het arrest is op 15 juni 2018 uitgesproken door de raadsheren Wortel (voorzitter), Beukers-van Dooren en Cools, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren. De uitspraak bevestigt de strikte ontvankelijkheidstoets bij cassatieberoepen en benadrukt het belang van voldoende belang bij het instellen van cassatie.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.