Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Amsterdam,
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van de Nederlandse Israëlitische Hoofdsynagoge (NIHS) wegens onrechtmatig handelen in verband met zijn gedwongen instemming met een echtscheiding volgens Joods recht. Eerder heeft het gerechtshof Den Haag de vordering afgewezen in arresten van 2014, 2015 en 2016. Eiser stelt dat de synagoge en haar rabbijn een zorgplicht hebben geschonden en aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:170 BW Pro.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie, waaronder het arrest van 18 maart 2011, en overweegt dat de klachten van eiser niet leiden tot cassatie. De klachten zijn onvoldoende om rechtsvragen te beantwoorden die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van NIHS komt daardoor niet aan de orde.
De Hoge Raad verwerpt het principaal cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee bevestigt de Hoge Raad de eerdere afwijzing van de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door de synagoge en haar rabbijn in het kader van de gedwongen echtscheiding volgens Joods recht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding.