Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het door het Openbaar Ministerie voorgestelde middel
4.Beslissing
12 juni 2018.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd vrijgesproken van het werven voor gewapende strijd. Het hof oordeelde dat het werven voor het zorgen voor bezittingen, huishouden en kinderen van een strijder niet valt onder het begrip 'werven voor gewapende strijd' zoals bedoeld in art. 205 Sr Pro.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en stelt dat werving alleen strafbaar is indien gericht op de rechtstreekse inzet van personen in de gewapende strijd. De wetsgeschiedenis en internationale regelgeving ondersteunen deze strikte interpretatie. De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.
Het beroep van het Openbaar Ministerie wordt verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en de motivering toereikend is. De Hoge Raad benadrukt dat morele, ideologische of financiële steun, evenals zorgen voor gezin en bezittingen van strijder, niet kwalificeren als rechtstreekse inzet voor gewapende strijd.
De uitspraak bevestigt de grenzen van strafbaarheid bij werving voor jihad en verduidelijkt de toepassing van art. 205 Sr Pro in het kader van terrorismebestrijding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie wordt verworpen en de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep.