Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
12 juni 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het maken van een gewoonte van het verspreiden, aanbieden en in bezit hebben van kinderporno. Het hof bepaalde een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaar. Deze lange proeftijd baseerde het hof op de inschatting dat er ernstig rekening mee moest worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zou plegen dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de duur van de proeftijd. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest voor zover de proeftijd was vastgesteld op vijf jaar en stelde voor deze te beperken tot twee jaar. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende feiten en omstandigheden had vastgesteld waaruit onmiskenbaar bleek dat de verdachte gedragingen had verricht die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zoals vereist in artikel 14b, tweede lid, Sr.
De Hoge Raad verwees daarbij naar eerdere jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat het verspreiden en bezit van kinderporno niet zonder meer kwalificeert als een misdrijf gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest voor zover het de proeftijd betrof en bepaalde de proeftijd op twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De proeftijd wordt verkort van vijf naar twee jaar bij veroordeling voor gewoonte maken van verspreiden en bezit van kinderporno.