ECLI:NL:HR:2018:876

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2018
Publicatiedatum
7 juni 2018
Zaaknummer
17/02417
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 332 lid 1 RvArt. 438 lid 2 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-toepassing appelgrens in executiegeschil volgens art. 438 lid 2 Rv

In deze zaak stond centraal de vraag of de appelgrens zoals neergelegd in artikel 332 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ook geldt voor executiegeschillen in de zin van artikel 438 lid 2 Rv Pro. De eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 maart 2017, waarin het hof zijn eerdere beslissing had bevestigd.

De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland en de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In cassatie werd het beroep van eiser verworpen, waarbij de Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad veroordeelde de eiser in de kosten van het cassatiegeding, maar stelde deze kosten aan de zijde van de verweerders op nihil vast. Hiermee werd de uitspraak van het gerechtshof bekrachtigd en is bevestigd dat de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv Pro niet van toepassing is op executiegeschillen zoals bedoeld in artikel 438 lid 2 Rv Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

8 juni 2018
Eerste Kamer
17/02417
LZ/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
voorheen wonende te [plaats], thans te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
t e g e n
1. N.V. UNIVÉ ZORG,
gevestigd te Arnhem,
2. LANDELIJKE ASSOCIATIE VAN GERECHTSDEURWAARDERS B.V.,
gevestigd te Stadskanaal,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Univé c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/05/303248/KG ZA 16-241 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 8 juli 2016;
b. de arresten in de zaak 200.196.956 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 oktober 2016 en 21 maart 2017.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 21 maart 2017 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.
De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Univé c.s. is verstek verleend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 6 april 2018 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Univé c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
8 juni 2018.