Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
23 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd bewezenverklaard van medeplegen van een poging tot inbraak in een woning te Zwolle op 14 juli 2012. De verdachte zou samen met medeverdachten een ruit hebben vernield en een schuifpui hebben geforceerd met het oogmerk geld en goederen te stelen.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie omtrent de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking die zich uitstrekt tot een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht. Gedragingen zoals op de uitkijk staan en waarschuwen worden doorgaans als medeplichtigheid aangemerkt.
In deze zaak concludeert de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bijdrage van verdachte, die bestond uit op de uitkijk staan en waarschuwen bij het aanspringen van een lamp, zodanig was dat sprake was van medeplegen. De bewezenverklaring is daardoor niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting en beslissing omtrent het tenlastegelegde medeplegen. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 23 januari 2018.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.